De beoefenaars van een vrij beroep en de marktpraktijken.

Categorie: 
Sociaal-juridische informatie

Sinds 31 mei 2014 is de wet van 15 mei 2014 van kracht, waarbij boek XIV werd ingelast in het nieuwe wetboek voor economisch recht. Dit boek draagt als titel: “Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende de beoefenaars van een vrij beroep”

Dit boek vervangt de wet van 2 augustus 2002, die al een reeks verplichtingen oplegde aan de vrije beroepen met betrekking tot de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de overeenkomsten op afstand. Het is ook een antwoord op de arresten van het Grondwettelijk Hof die de uitsluiting van de vrije beroepen uit de WMPC – Wet Marktpraktijken en Consumentenbescherming – (nu vervangen door Boek VI van het Wetboek voor Economisch Recht), ongrondwettelijk had verklaard.

De wetgever heeft vooreerst de definitie van de beoefenaar van een vrij beroep verfijnd, door te eisen dat hij zijn beroepsactiviteit uitoefent op onafhankelijke wijze en onder eigen verantwoordelijkheid (wat niet wil zeggen dat hij geen werknemer kan zijn) en dat hij tot permanente vorming is gehouden. Zoals vroeger reeds het geval was in de WMPC, is ook vereist dat hij onderworpen is aan een tuchtorgaan en geen koopman is. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Ook is Boek XIV slechts van toepassing voor zover het de intellectuele prestaties betreft die kenmerkend zijn voor zijn beroep.

Indien deze voorwaarden niet vervuld zijn, is boek VI van toepassing, die de marktpraktijken en consumentenbescherming regelt voor alle ondernemingen (er zijn nog een aantal specifieke uitzonderingen voorzien voor notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten die prestaties leveren in het kader van de juridische bijstand).

De structuur van de wet kan als volgt worden samengevat: eerst zijn er een aantal verplichtingen die de precontractuele sfeer betreffen (reclame, algemene informatie en prijsaanduiding), verder verplichtingen i.v.m. het sluiten van overeenkomsten (algemene bepalingen, overeenkomsten op afstand, overeenkomsten gesloten buiten de gebruikelijke plaats van de beroepsuitoefening, het gezamenlijk aanbod, de onrechtmatige bedingen, de bestelbon en bewijsstukken en de verlenging van de dienstenovereenkomst), en tenslotte de verboden praktijken, die men de gemeenschappelijke deontologische sokkel van de beoefenaars van een vrij beroep zou kunnen noemen.

Wat reclame betreft kan men betreuren dat de bepalingen over de vergelijkende reclame en de misleidende reclame niet gebundeld werden, maar zich op verschillende plaatsen bevinden in dit wetboek, respectievelijk art. XIV 9, en art. XIV 77 tot 82. Verder vindt men ook bepalingen terug over het verbod van ongewenste communicatie (art. XIV 77 – 82), die de eerbied van de persoonlijke levenssfeer nastreven.

De algemene verplichting tot precontractuele informatie betreft hoofdzakelijk de voornaamste kenmerken van de dienst, de identiteit van de dienstverlener, de totale prijs of de manier waarop de prijs moet worden berekend, de wijze van betaling en levering, de eventuele waarborgen, de eventuele duur. Deze informatie moet niet expliciet verstrekt worden als die al duidelijk is uit de context.

Wat de prijsaanduiding betreft, geldt dit, voor wat de diensten betreft, als een uitzondering, vermits het enkel verplicht is voor homogene diensten, dit zijn alle diensten waarvan de eigenschappen en de modaliteiten identiek of gelijkaardig zijn, ongeacht plaats, ogenblik of persoon voor wie ze bestemd zijn.

De overeenkomsten die gesloten werden op afstand waren reeds geregeld in de wet van 2002. De informatievoorschriften zijn nu wel uitgebreid (in totaal 20 – art. XIV 27 §1). Vastgesteld dient te worden dat de wetgever geen rekening gehouden heeft met de urgentie voor het verstrekken van bepaalde diensten, vermits de herroepingstermijn nu wordt uitgebreid tot 14 dagen (12 maanden indien de precontractuele informatie op dit punt ontbreekt). Wel is het mogelijk dat de consument de beoefenaar van een vrij beroep uitdrukkelijk verzoekt om zijn diensten reeds te verstrekken tijdens deze herroepingstermijn, maar dit moet uitdrukkelijk gebeuren en het bewijs hiervan ligt bij de dienstverlener. Ook moet in dit geval uitdrukkelijk voorzien zijn geweest dat ingeval de consument toch de overeenkomst herroept, hij akkoord gaat dat de kost van de dienst die reeds verstrekt is ten zijn laste wordt gelegd. 

In een aantal gevallen voorziet de wet dat het herroepingsrecht niet bestaat, en dit is onder meer na de volledige uitvoering van de dienst, als de consument uitdrukkelijk erkent dat hij zijn herroepingsrecht verliest zodra de overeenkomst uitgevoerd is.

Ongeveer dezelfde plichten rusten op de beoefenaars van een vrij beroep in het geval de overeenkomst gesloten wordt buiten de gebruikelijke plaats van de beroepsuitoefening. Ook het herroepingsrecht wordt op dezelfde manier geregeld. Bijkomende beperking is in dit geval dat het verboden is een voorschot van betaling te ontvangen tijdens een termijn van 7 werkdagen, met één uitzondering: indien de overeenkomst gesloten wordt tijdens salons, beurzen of tentoonstellingen.

Hierbij is het niet nutteloos te vermelden dat, voor alle overeenkomsten, een bestelbon verplicht is als de levering uitgesteld is en een voorschot wordt betaald (art. XIV 55).

Het boek XIV herneemt ook de regelgeving in verband met de onrechtmatige bedingen. Als algemene regel geldt nog steeds dat een beding verboden is indien het, in acht genomen de omstandigheden, en alleen of in samenhang met andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept ten nadele van de consument. Er wordt ook een 'zwarte lijst' gegeven van bedingen die als onrechtmatig moeten beschouwd worden.

Ten slotte voorziet boek XIV ook in een verbod van oneerlijke beroepspraktijken. Dit zowel jegens de consument als jegens andere personen dan consumenten, en herneemt aldus de bepalingen die al voorzien zijn in boek VI, maar toegepast op vrije beroepen. Dit is dus een soort trapsgewijze regelgeving ter bescherming van de consumenten en meer bepaald tegen agressieve en misleidende praktijken. Tegenover andere personen dan consumenten geldt dan weer een algemeen verbod van oneerlijke beroepspraktijken, die dus volledig aan de appreciatie van de rechter worden onderworpen.

Deze rechter is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend zoals in kort geding, indien men de staking van een bepaalde praktijk nastreeft. Behalve de bevoegde rechter, verschilt deze stakingsvordering niet van de algemene stakingsvordering die wordt voorzien in boek XVII titel 1 van het Wetboek voor economisch recht.

Naast dit boek XIV is het ook van belang vast te stellen dat de vroegere dienstenwet nu grotendeels wordt overgenomen in boek III (vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen), die ook van toepassing is op de beoefenaars van een vrij beroep, en een aantal verplichtingen oplegt die verband houden met pre-contractuele informatie. In dit geval kan niet enkel de consument dit inroepen, maar ook de 'afnemer', die zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon kan zijn die, al dan niet voor beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken. De samenlezing van boek III en XIV kan soms tot interpretatieproblemen leiden.

Weze ten slotte opgemerkt dat het toezicht en de controle van deze wetgeving door de bevoegde overheidsdiensten in sommige gevallen de bijstand vereist van de 'persoon met tuchtrechtelijk gezag', en dit ter vrijwaring van het beroepsgeheim.

Alex Tallon (advocaat – Praetica)